Er waren jaren dat ik nauwelijks een wachtkamer van binnen zag. Ja, die bij de tandarts, maar verder was dat maar sporadisch. Zoals tijdens de periode dat ik ischias had, toen zat ik er regelmatig, maar dat ligt al weer heel wat jaren achter me. Ze zeggen “ouderdom komt met gebreken” en helaas, dat is maar al te waar. Af en toe duiken er kwaaltjes op die daarmee te maken hebben en dan weet je: beter wordt het niet meer. Mijn knieën raken versleten, de oren willen niet meer zo goed horen en zo kan ik nog wel wat meer ongemakken opnoemen.

En zo beland ik weer vaker in de wachtkamer. Soms duurt het lang voor je aan de beurt bent, een andere keer valt het mee. Toch vind ik het niet vervelend om te wachten. Je komt er nog eens iemand tegen die je al een tijd niet meer gezien hebt, dan praat je even bij. Er zijn ook keren geweest dat de wachtkamer vol zat en dan duurde het een tijdje voor je aan de beurt was. Dat vind ik niet vervelend, het is zo als het is, met je ergeren kom je niet eerder aan de beurt en het geeft onnodig stress. Ik kijk wat rond, knoop soms een praatje aan en berust er verder in dat ik moet wachten.

Wat me tegenwoordig opvalt is dat de patiënten bij de huisarts bijna allemaal snel hun mobiel tevoorschijn halen, alsof ze bang zijn dat ze een gesprek moeten aanknopen. Zo breng ik dan mijn tijd in serene stilte door en zie het maar als mijn meditatie moment. In de wachtkamer bij de trombosedienst gaat het weer anders. Daar is de gemiddelde leeftijd over het algemeen hoger en komen er geen mobieltjes tevoorschijn. Niet dat het daar dan een vrolijke boel is hoor, ook hier heerst een algemeen zwijgen. Daarbij wordt goed in de gaten gehouden wie aan de beurt is en of de verpleegkundige er genoeg vaart achter zet zodat iedereen weer naar huis kan.

De laatste keer dat ik er zat klaagde een patiënt dat er geen krant lag en een kop koffie of thee zou ook wel aardig zijn. Ik merkte op dat je natuurlijk ook met elkaar een praatje kunt maken, maar toen dat gepareerd werd met “waar moeten we het dan over hebben” zat ik met mijn mond vol tanden, terwijl ik normaal niet om woorden verlegen zit. Weer onder weg naar huis schoten mij verschillende voorbeelden te binnen waar we het over hadden kunnen hebben.

Ergens stemt het mij droevig dat de mensen zo op een eilandje zitten dat ze blijkbaar geen contact meer kunnen maken. Dat bij de ene de wereld wordt gevangen in een klein mobieltje en bij de ander de wereld buiten de deur blijkbaar ophoudt. Al begin je maar over het weer! Je zou er van opkijken waar zo’n gesprek uiteindelijk op uitkomt. Je begint met het weerbericht van vandaag en eindigt misschien wel bij de buurman die grote schade aan zijn auto had vorig jaar, na die enorme hagelbui. Ik noem maar wat. Voor je het weet is wachten in de wachtkamer nog gezellig ook.

 

Schermafbeelding 2016-07-29 om 16.13.24In 1979 richtte Wilma Stofmeel Dansgroep Butterfly op. Na tien jaar stopte ze daarmee en droeg het stokje over aan een nieuwe leiding. Butterfly bestond toen inmiddels uit ruim 100 leden. In 1990 startte ze Theatergroep Kinderspel, volgde daarvoor de Basisregie opleiding In Tilburg en de Kaderregie opleiding in Venlo. Verder gaf ze theatercursussen in de regio en regisseerde verschillende volwassen gezelschappen en jeugdgroepen. Op verzoek van het NVA (Nederlandse Vereniging Amateurtoneel) volgde ze in Apeldoorn een masterclass om speciaal voor jongeren toneelstukken te schrijven.  In 2006 ontving Wilma de koninklijke onderscheiding Lid in de orde van Oranje Nassau voor haar bijzondere verdiensten op het gebied van theater voor de jeugd en in 2015 ontving ze daarvoor van de gemeente Waalre de vrijwilligerspenning.

Deel dit bericht met je vrienden
Share on FacebookTweet about this on Twitter
Recommend to friends
  • gplus
  • pinterest