Valkenswaard bereikt veel minima via regelingen, maar mist meetbare doelen
VALKENSWAARD - Valkenswaard bereikt met zijn armoederegelingen relatief veel inwoners, meer dan buurgemeenten Cranendonck en Heeze-Leende. Maar de gemeente weet te weinig of al die hulp ook echt aankomt, omdat meetbare doelen ontbreken. Dat concludeert de rekenkamer, die het armoedebeleid van de drie A2-gemeenten liet onderzoeken. De gemeenteraad bespreekt de aanbevelingen op 12 november.
Hoeveel armoede is er?
Of iemand in armoede leeft, wordt meestal afgemeten aan het inkomen ten opzichte van het sociaal minimum, het bedrag dat je volgens de wet minimaal nodig hebt om rond te komen; bij een inkomen tot 120 procent daarvan spreekt men doorgaans van een laag inkomen. In Valkenswaard liggen de cijfers onder het landelijk gemiddelde. In 2023 had 2,4 procent van de huishoudens een laag inkomen, tegen 3,8 procent landelijk.
Van de drie A2-gemeenten is dat wel het hoogste aandeel: in Cranendonck ging het om 2,1 procent en in Heeze-Leende om 1,8 procent. Problematische schulden kwamen voor bij 6,6 procent van de huishoudens, tegen 8,9 procent landelijk. Het bereik van de regelingen is naar verhouding hoog: de energietoeslag kwam bij 74 procent van de doelgroep terecht, en over vrijwel alle regelingen bereikt Valkenswaard een groter deel van de doelgroep dan Cranendonck en Heeze-Leende.
Verbeteringsadviezen
Toch ziet de rekenkamer tekortkomingen. Het beleid heeft geen meetbare doelen, het bereik van verschillende regelingen blijft onder het landelijk gemiddelde, en de raad krijgt te weinig informatie om te volgen of het beleid werkt. Voor het toekomstige beleid doet de rekenkamer zes aanbevelingen: maak de doelen meetbaar en houd een jaarlijkse armoedemonitor bij, maak aanvragen eenvoudiger, richt één herkenbaar loket in, pak armoede actiever en preventiever aan, blijf investeren in meedoen en gezondheid, en informeer de raad beter.
Het college is het met de meeste aanbevelingen eens; veel ervan waren bij de ontwikkeling van het nieuwe beleid al in gang gezet. Alleen bij de jaarlijkse armoedemonitor plaatst het een kanttekening, omdat er al extra op monitoring wordt ingezet en zo'n monitor tijd en menskracht kost die er nu niet is. De raad behandelt het rapport op 12 november; daarna gaat het college met de aanbevelingen aan de slag.





